Factcheck: Wind op zee is duurder geworden

Factcheck: Wind op zee is duurder geworden

De belofte van duurzame energie is even eenvoudig als logisch: ze wordt jaar in jaar uit goedkoper. De prijs van duurzame energie wordt immers bepaald door de prijs van technologie en technologie wordt bijna per definitie goedkoper. Om een voorbeeld te geven: de eerste CD-spelers kostten een paar duizend gulden. Nu koop je een MP3-speler, die veel meer kan, voor een tientje. Met dank aan innovatie en massaproductie.
Deze belofte ligt aan de basis van subsidies op duurzame energie, die het verschil in kostprijs tussen groene en grijze stroom overbruggen. Duurzame energietechnologie belooft ‘als subsidies ons helpen tot massaproductie en innovatie te komen, dan worden we zo goedkoop dat we uiteindelijk geen subsidies meer nodig hebben’.

Energietechnologie
Dat duurzame energietechnologie die belofte waar maakt, bewijzen zonnepanelen, die ieder jaar minder subsidie nodig hebben om te concurreren met fossiele energie. In 2004 kreeg een Duits zonnepaneel een Einspeisevergütung (letterlijk terugleververgoeding) van 57 cent subsidie per kWh. Het gevolg was dat de Duitsers hun daken en velden vol met zonnepanelen gingen leggen (kijk maar eens om je heen als je door Duitsland rijdt) en er een grootschalige zonnepanelenindustrie ontstond, die dankzij massaproductie en innovatie ieder jaar goedkopere panelen ging produceren. De Duitse regering kon de Einspeisevergütung daardoor ieder jaar verlagen. Wie vandaag een zonnepaneel op zijn dak legt, krijgt slechts 13 cent per kWh.

Windturbines op de Noordzee laten echter geen dalende kostencurve zien. Ze zijn duurder geworden. Gemini, het in aanbouw zijnde windpark boven Schiermonnikoog, gaat duurdere elektriciteit leveren dan het zes jaar geleden gebouwde windpark voor de kust van IJmuiden, het Prinses Amalia windpark, Nederlandse tweede windpark op zee.

Amalia
Wie op het strand van IJmuiden staat, ziet bij helder weer het Prinses Amalia windpark staan, zestig witte staken met wieken op de horizon. Deze turbines krijgen 10 jaar lang 9,7 cent subsidie per geleverde kWh. Samen met de gemiddelde groothandelsprijs van Nederlandse elektriciteit van 5,2 cent (gemiddelde Day Ahead Market (DAM) prijs in 2013), leveren de turbines eigenaar Eneco ongeveer 15 cent per kWh op.

Gemini
Dit najaar, 6 jaar later, vaart projectontwikkelaar Typhoon Capital de Noordzee op om boven Terschelling en Schiermonnikoog de funderingen voor windpark Gemini te heien. In 2016 moeten de turbines gaan draaien en elektriciteit leveren.

Subsidiebeleid
Het Nederlandse subsidiebeleid is in de tussentijd gewijzigd. De SDE+ regeling deelt geen vaste subsidie uit, maar vergoedt het kostprijsverschil tussen groene (basisbedrag genoemd) en grijze stroom, op grond van de actuele prijs voor grijze stroom (correctiebedrag genoemd). Het basisbedrag voor groene stroom is de beste schatting van het Ministerie van Economische Zaken van de kosten (+ een kleine winstmarge) van een kWh windstroom op zee bij de huidige stand van de techniek. Wanneer de prijs voor grijze stroom (correctiebedrag) stijgt – en daar hoopt de subsidieverstrekker uiteraard op – daalt de SDE+ subsidie.

Het basisbedrag voor Gemini is bepaald op 16,9 cent per kWh gedurende 15 jaar (klik op Vlakke leercurve voor wind op zee). Het huidige correctiebedrag is 5,99443, zeg 6 cent. De SDE+ subsidie komt daarmee op 10,9 cent per kWh.

Zetten we die cijfers een grafiek, dan levert dat een stijgende in plaats van een dalende kWh-prijs op:

De technologie van wind op zee is dus duurder geworden: de windturbines van Gemini kosten niet alleen 2 cent per kWh meer dan die van Amalia, ze krijgen bovendien 5 jaar langer subsidie.

Dieper water
Hiervoor zijn een aantal redenen aan te wijzen. De belangrijkste is dat de windparken verder op zee en in dieper water staan: Gemini ligt drie keer zo ver van een haven (85 in plaats van 23 km) dan Amalia en de zee is daar anderhalf keer zo diep (28-36 in plaats van 19-24 meter), wat de bouwkosten zal verhogen. Een tweede reden is dat de offshorebedrijven die de eerste windparken bouwden, toen genoegen namen met lage winstmarges en tegenwoordig wat hoger inzetten. Ten derde hadden de turbinefabrikanten de afgelopen jaren dermate volle ordeportefeuilles dat ze het zich konden veroorloven de prijzen te verhogen. Ten slotte gingen de prijzen van de belangrijkste materialen van een windturbine, staal en koper, omhoog. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) somt deze oorzaken op in het rapport Windenergie, argumenten bij 5 stellingen.

Dat het verder van de kust harder en vaker waait en dat Gemini vijf keer zo groot is, wat schaalvoordelen bij installatie moet opleveren, heeft deze trend niet kunnen keren, evenals zes jaar innovatie.

Massaproductie
Massaproductie, naast innovatie de andere aanjager van kostendaling, moet wind op zee de komende jaren helpen de weg omlaag weer te vinden. In 2020 moet het wereldwijd geïnstalleerde vermogen namelijk groeien van 6.5 naar 43 gigawat (GW). Dat betekent dat er grofweg 10.000 windturbines op zee moeten worden geplaatst, waarbij schaalvoordelen kunnen worden gehaald.

In PBL-rapport verwachten de schrijvers dan ook dat de omhooggaande trend de komende jaren wordt gekeerd en dat ook de kosten van zeewindelektriciteit weer een dalende lijn gaan laten zien. Volgens het PBL, moet het in de komende tien jaar mogelijk zijn een kostendaling van dertig tot veertig procent te realiseren.

Conclusie: wind op zee is inderdaad duurder geworden, maar innovatie en grootschalige bouw op zee moeten de kosten de komende jaren weer omlaag kunnen brengen.