Welke lessen kan Nederland trekken uit het winderige Deense model?

Welke lessen kan Nederland trekken uit het winderige Deense model?
EXPERTBIJDRAGE

Door Thomas Kokshoorn – Denemarken heeft ambitieuze doelstellingen ten aanzien van energieonafhankelijkheid en verduurzaming van de energievoorziening. Anders dan Nederland heeft Denemarken geen grote voorraden aan fossiele grondstoffen.

De Deense energievoorziening is al sinds lange tijd afhankelijk van de import van (voornamelijk fossiele) energie. Om minder afhankelijk te worden van externe invloeden is er door de Deense overheid al geruime tijd veel geïnvesteerd in de windindustrie, met als doelen goedkope duurzame energie, de CO2 uitstoot te verminderen en meer werkgelegenheid te creëren. Helaas worden deze doelen tot op heden slechts in beperkte mate gehaald. Zo produceert Denemarken 20% van haar energievraag met windenergie, maar wordt slechts 9,7% van deze energie door de Denen zelf gebruikt. Hoe kan dit en wat kan Nederland, dat aan de vooravond staat van enorme investeringen in windenergie, hiervan leren?

De kern van het probleem zit in de vraag gestuurde en centrale wijze waarop de energie voorziening in Denemarken is georganiseerd. Windenergie wordt aan het centrale net geleverd en dat leidt tot twee problemen: windenergie moet concurreren met de nu nog goedkopere fossiele stroom, en heeft te maken met transportverliezen. Bovendien is er te weinig prikkeling om de vraag beter af te stemmen op de productie. De situatie in Denemarken is hierin vergelijkbaar met de situatie in Nederland.

De Denen hebben geprobeerd het eerste probleem aan te pakken met subsidieprogramma’s en door windenergie voorrang te geven op het net. Helaas leveren deze maatregelen slechts een zeer beperkte bijdrage aan een oplossing en ontstaan kostbare neveneffecten. Zo worden de subsidies voor een aanzienlijk deel met de windenergie mee geëxporteerd wanneer er in Denemarken onvoldoende vraag is. Daarbij zijn er hoge kosten verbonden aan het stilzetten van grote energiecentrales. Deze centrales leveren vaak ook nog eens restwarmte aan warmtenetten wat een extra complicerende factor is. Hierdoor betalen de Denen relatief gezien het meeste van Europa voor hun energie.

De oorzaak van het probleem ligt dieper: het systeem is vraag gestuurd en voornamelijk gebaseerd op fossiel gestookte centrales. Dit systeem biedt comfort, we kunnen immers goedkope energie gebruiken wanneer we dat willen. Maar we weten ondertussen allemaal dat dit model niet houdbaar is bij slinkende eigen fossiele energievoorraden en vanwege de milieuvervuiling die met fossiel gestookte energie gepaard gaat. Als er zonder systeemverandering zomaar windenergie wordt ingevoerd leidt dit tot:

  • een slechte afstemming tussen vraag en aanbod. Hierdoor beland windenergie vaak op de spotmarkt waar de stroom veel te vaak tegen dumpprijzen wordt verkocht;
  • een dure energievoorziening. Het centrale net moet enorm robuust worden ingericht om pieken op te kunnen vangen en bovendien treedt netverlies op door de grote afstanden waarover energie wordt getransporteerd;
  • het ontbreken van draagvlak voor duurzame technieken als windenergie. Energie is iets goedkoops en van ver weg: als er dan ineens een windmolen in de achtertuin staat voelen burgers zich er niet mee verbonden. Er ontstaat bijna altijd weerstand en er is weinig draagvlak.

Centrale organisatie van het energienet geeft dus perverse prikkels voor duurzame windenergie. Er is een transitie nodig in energietechniek, maar vooral in de manier waarop we gebruik maken van het energienet. Een omslag in het denken is nodig waarbij de energiemarkt niet langer centraal en vraag gestuurd is georganiseerd, maar lokaal en aanbod gestuurd. Smart grids spelen in deze transitie een belangrijke rol.

Weer terug naar Denemarken. Op het Deense eiland Samsø is een interessant experiment ontwikkeld: de bewoners hebben besloten zelf hun eigen energie op te gaan wekken en autarkisch te worden. Dit begon allemaal toen het eiland in de jaren negentig door de economische teruggang besloot ‘zichzelf opnieuw uit te vinden’. Er werd door de eilanders zelf geld geïnvesteerd om windmolens te laten bouwen waarvan ze zelf de energieafnemers zouden worden. Tegenwoordig wordt 100% van de elektriciteit die het eiland gebruikt door hen zelf opgewekt. Hierdoor zijn de volgende positieve effecten ontstaan:

  • de lokale vraag is beter af te stemmen op de productie en daarmee efficiënter. Dit kan leiden tot prijsverlagingen;
  • men is bereid meer te betalen voor energie, omdat men voelt dat het eigen energie is;
  • er is minder weerstand tegen projecten, omdat men zelf lokaal projecten wil ontwikkelen en zich daarom ‘eigenaar’ voelen.

Conclusie: stormachtige tijden voor Nederland?
Krijgen we in Nederland te maken met dezelfde problemen als in Denemarken? Met de grote windprojecten die op stapel staan en de centralistische aanpak lijkt het er wel op. Aan de andere kant zijn ook hoopvolle ontwikkelingen gaande. In provincie Friesland dragen lokale collectieven, verenigd in “Fryslân foar de Wyn” ideeën aan voor de inpassing en lokale exploitatie van windmolens als reactie op de dreigende grootschalige plannen van de overheid. Deze initiatieven verdienen volop experimenteerruimte. En wat kunnen we met die grote windparken op zee? Deze parken zouden één op één kunnen worden aangesloten op bedrijven in Groningen Seaports of op de Waddeneilanden. Door deze entiteiten afhankelijk te maken van het windpark ontstaat een rechtstreekse relatie tussen gebruiker en de windmolen. Men raakt opnieuw rechtstreeks verbonden met de energievoorziening waardoor optimaal geprofiteerd kan worden van windenergie.

Thomas Kokshoorn is werkzaam als adviseur bij Ekwadraat. Door zijn Technisch Planologische achtergrond en kennis van duurzame energie, weet hij energieconcepten en ruimtelijke inpassing te combineren.