Haken en ogen aan de energieprestatievergoeding

Haken en ogen aan de energieprestatievergoeding
EXPERTBIJDRAGE

NoM-coördinator Rob Goes juicht de energieprestatievergoeding toe, maar ziet een aantal ernstige beperkingen. Het venijn zit in drie woordjes: ‘op, in en aan’.

Op 19 januari jongstleden heeft de Tweede Kamer het wetsvoorstel tot energieprestatievergoeding (EPV) aangenomen. Dit betekent dat het nu mogelijk is dat woningcorporaties een toeslag bij de huurders in rekening mogen brengen bovenop de huurprijs om de investering mogelijk te maken die nodig is om de woning tot nul-op-de-meter (NoM) te renoveren. De huurder betaalt straks geen energierekening meer, maar alleen de huur plus deze opslag. En dat is nodig, want NoM-woningen zijn nog duur en leiden zonder energieprestatievergoeding tot een grote onrendabele top voor de woningcorporatie.

Dat corporaties nu de mogelijkheid krijgen om de energierekening van de bewoners in te zetten voor verduurzaming, juich ik toe. Volgens De Stroomversnelling betalen we samen van ca 13 miljard euro voor onze huishoudelijke energie. Die collectieve energierekening kan een investeringsruimte creëren van 260 miljard euro. Maar of dit voldoende is om heel Nederland nul-op-de-meter te maken … Het gedachtegoed van de wetgeving is goed, maar er zijn nog wat haken en ogen.

1. Door de invulling van de wetgeving blijven kansen liggen

Alle energie moet duurzaam op, in of aan de woning worden opgewekt. Dit is kort samengevat waar een NoM-woning aan moet voldoen. Het venijn van de regeling zit dus in drie kleine woordjes; op, in en aan. Dit betekent dus dat het niet mogelijk is om collectieve wijkoplossingen te ontwikkelen waarmee de specifieke kansen van een gebied benut kunnen worden. Denk aan een collectieve biogasinstallatie gevoed met groenafval en fecaliën uit de wijk, of een windturbine aan de rand van de wijk.

In de praktijk betekenen deze drie woordjes individuele all-electric concepten, een warmtepomp voor ruimteverwarming en tapwater en veel zon-PV om het verbruik te compenseren. Het gevolg hiervan voor de netbeheerder is dat de pieken op onze elektriciteitsnetten tot vijf keer groter kunnen worden.

2. De berekeningsmethode is niet accuraat genoeg

Om te bepalen wat het totale energieverbruik van de woning gaat zijn, wordt deze opgeknipt in drie onderdelen. Ieder onderdeel kent zijn eigen specifieke berekeningsmethode. Hierin zitten echter nog veel onduidelijkheden, en als bewoner zou ik niet goed weten of ik hier nu op kan vertrouwen.

Energie voor gebouwgebonden energieverbruik
Het energieverbruik voor gebouwgebonden installaties (denk aan warmtepomp, ventilatie, pompenergie) wordt in de ontwerpfase door de bouwer bepaald. Hierbij wordt uitgaan van standaard klimaatjaren en gemiddeld bewonersgedrag. Onder deze condities wordt de energieprestatie van het gebouw gegarandeerd. Deze methodiek van berekenen leidt in de praktijk vaak tot intransparantie en is aan de gemiddelde huurder niet uit te leggen.

Energie voor verbruikersgebonden energieverbruik
Aan de bewoner wordt een zogenoemde energiebundel ter grootte van 25 kWh/m2 per jaar ter beschikking gesteld. Uit deze energiebundel moet het huishoudelijk verbruik “bekostigd” worden. Afhankelijk van het oppervlakte van de woning komt dit neer op ca 2.000 tot 2.500 kWh/jr. Ik vraag me af of er zo’n sterke relatie is tussen vloeroppervlak en energieverbruik. Naar mijn idee is het aantal bewoners van een woning veel meer maatgevend dan het aantal vierkante meters.

Energie voor warm tapwater
Ook voor het bepalen van de tapwatervraag wordt verwezen naar het vloeroppervlak van de woning. Hier wordt uitgegaan van 15 kWh/(m2/jaar). Ook hier vraag ik me af of deze relatie tussen vloeroppervlak en energieverbruik wel opgaat. Verder is er nog het punt van comfortverbetering. In alle B-label renovaties zie je terug dat bewoners door bijvoorbeeld een nieuwe ketel zoveel meer tapcomfort hebben, dat ze simpelweg langer gaan douchen en het voordeel in energiebesparing teniet doen. Hoe gaan corporaties hier binnen de Stroomversnelling mee om?

3. Gegarandeerd nul-op-de-meter ≠ gegarandeerd nul op de rekening

De regeling voor de energieprestatievergoeding moet ervoor zorgen dat er investeringsruimte ontstaat door het inzetten van de energierekening. Grote (aanstaande) veranderingen in het energiesysteem gaan ook veranderingen brengen in de uiteindelijk kWh-prijs voor bewoners. Trendanalyses laten zien dat het waarschijnlijk is dat de kosten voor elektriciteit gaan dalen. De energieprestatievergoeding kan niet dalen, deze kan alleen maar stijgen. Daarnaast is er natuurlijk nog het heikele punt van salderen, want: wat is de invloed van het wegvallen hiervan op de woonlasten van de bewoners?

EPV kan alleen maar stijgen

Binnen de EPV-wetgeving is het mogelijk dat de energieprestatievergoeding jaarlijks met inflatie gecorrigeerd mag worden. Dit betekent dat de “energiekosten” voor bewoners jaarlijks met ca 1,0-1,5 procent stijgen. Huurders betalen over veertig jaar (de looptijd van de prestatiegarantie) dus niet meer € 140/mnd maar € 200 tot € 250/mnd. Een prijsstijging van 60 tot 90 euro per maand.

Salderen brengt onzekerheid

Doordat de NoM-woningen per saldo over het jaar heen energieneutraal zijn, wordt ca 75 procent van alle opgewekte energie eerst teruggeleverd aan het net om op een later moment weer te gebruiken. Deze 75 procent (ca 4.500 kWh/jr) mag gesaldeerd worden, de baten voor invoeden zijn dus gelijk aan de kosten voor afnemen. 4.500 kWh is, in een wereld waarin salderen mogelijk is, ca 1000 euro waard. Diezelfde 4.500 kWh is zonder salderen nu ca 300 euro waard. Dit is een verschil van 700 euro, ofwel ca 60 euro/mnd. Om dit risico neer te leggen bij bewoners van sociale huurwoningen, lijkt mij niet acceptabel.

Kortom, ik juich de regeling toe, maar de invulling ervan is naar mijn mening nog lang niet voldoende robuust.

Over de auteur:

Rob Goes werkt als NoM-coördinator voor netbeheerder Liander, onderdeel van netwerkbedrijf Alliander. De impact van NoM-renovaties op energienetten is groot. Daarom treedt Liander dan ook graag al in de eerste fase van de planvorming in overleg met corporatie en aannemer om samen een oplossing te kunnen ontwikkelen tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten.